“Mijn familie zei: met een hoofddoek zul je het moeilijker krijgen”

Voor de zomerreeks Hoe gaat het met u? van De Standaard interviewt Veerle Vanden Bosch Samira Azabar, kernlid van BOEH!
Dit artikel verscheen in De Standaard+ op 12/08/2021

Samira Azabar wilde Baas Over Eigen Hoofd blijven, en dus stapte ze in het collectief BOEH! Ze strijdt voor het recht van (moslim-)­vrouwen om te dragen wat ze willen. “Sommigen hebben het idee: wij zijn bevrijd en jullie nog niet. Zo paternalistisch.”

Keuzevrijheid voor alles

Samira Azabar (1985) is sociologe en onderzoekster in de politieke wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. In 2008 sloot ze zich aan bij het collectief BOEH!, dat ijvert voor het recht op zelfbeschikking van iedere vrouw over haar doen en laten, lichaam en leven. Het recht om in alle vrijheid een keuze te maken om al dan niet een hoofddoek te dragen staat daarbij centraal. In het najaar verschijnt bij uitgeverij Epo het BOEH!-boek onder redactie van Azabar en Ida Dequeecker.

Als sociologe doet Samira Azabar onder meer onderzoek naar het stemgedrag van Belgische moslims, met BOEH! ijvert ze voor het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen om al dan niet een hoofddoek te dragen. Haar rechtvaardigheidsgevoel kreeg ze van huis uit mee, maar het was de confrontatie met onrecht dat haar in actie deed komen: als vrouw, kind van gastarbeiders en moslima ondervond ze aan den lijve hoeveel hordes onze maatschappij voor sommigen opwerpt.

Foto door Christophe De Muynck
“Vrijheid wordt vaak gemeten aan hoeveel je als vrouw laat zien van jezelf. Maar het mag ook weer niet té veel zijn.”

Azabar groeide op in een warm nest met tien kinderen, ze zat ergens midden in het pak. De buitenwereld leek soms een ­andere planeet: “Ik volgde Latijn op een ­katholieke school en was een van de weinige gekleurde leerlingen. Als tiener wil je geen buitenbeentje zijn: ik probeerde erbij te horen, maar er bleef afstand. Ze hebben thuis hard moeten vechten om me in het aso in te schrijven. Alle tests wezen uit dat ik dat aankon, maar de school dacht dat ik het niet zou halen. Dat bleef een constante in mijn hele schoolcarrière. Zoiets heeft impact op je zelfvertrouwen, ook al wil je geloven dat je wél meer kunt. Mijn ouders twijfelden ook. Ze hadden niet gestudeerd, spraken geen Nederlands, konden me niet ondersteunen. En ze vertrouwden op het schoolsysteem. Mijn oudste zus, die ­kantoor en verkoop had gedaan, hakte de knoop door. “Je gaat het daar op zijn minst proberen” zei ze, en zeulde me mee naar de inschrijvingen.”

“Ik heb immens veel respect voor mijn ouders. Ze kwamen van een plattelandscultuur naar een stad en moesten helemaal vanuit het niets beginnen. Ik ben nogal een honkvast type, ik kan me niet indenken dat ik zou migreren, en dan ben ik nog hooggeschoold en heb ik een aantal privileges die zij niet hadden. Je losrukken uit een veilige omgeving om naar een vreemde plek te gaan waar je ongelijk behandeld wordt en daar tien kinderen grootbrengen: de veerkracht die dat vraagt, is immens. Ik heb zelf drie kinderen, ik kan het me niet voorstellen.”

Het einde van de wereld

Toen Azabar 16 was, overleed een van haar broers aan een hersenbloeding, hij was 23. “Hij was degene die ons altijd aanspoorde. Als hij zag dat we niet studeerden, kon hij daar kwaad om worden. Hij zei: “Als je dat niet hebt, sta je nergens.” Kort na zijn dood kwam 9/11. Die twee gebeurtenissen: voor mij was dat het einde van de wereld. Van de exotische, de Marokkaanse, werd ik plots een moslima. In gesprekken ging het veel meer over waarom moslims zo’n haat ­hebben. Over mogelijke oorzaken, of over de diversiteit van de moslimgemeenschap werd niet gesproken. Ik werd alleen geacht me te excuseren voor de aanslagen. Mijn ouders waren vooral bang. Ze waren naar hier gekomen om te werken en daarna ­terug te keren, maar toen dat met de ­kinderen steeds moeilijker werd, waren ze gebleven. Nu hadden ze plots een onveilig gevoel: “We zijn niet van hier”, daarvan ­waren ze doordrongen. Terwijl wij kinderen het gevoel hadden dat we wél van hier waren, we waren hier geboren. Als we met racisme te maken kregen, zeiden mijn ­ouders altijd: laat het passeren, je wordt er sterker van. We moesten zeker geen weerwerk bieden. Dat was typisch eerstegeneratiementaliteit. Ik vond dat heel lastig.”

“Voor 9/11 was ik de exotische, de Marokkaanse. Daarna werd ik plots een moslima. In gesprekken ging het veel meer over waarom moslims zo’n haat ­hebben”

“Mijn ouders praatten niet zoveel over hun migratieverleden. Ik kreeg er vaak ­vragen over, maar had geen antwoorden. Ik wilde het migratieverhaal begrijpen. Later interviewde ik enkele mensen van de ­eerste generatie voor een opdracht. Sommigen deden hun verhaal met tranen in de ogen. Ze wilden sterk zijn, de rots waar ­iedereen op steunt, daar sta je niet bij stil als je jong bent. Ik besefte dat mijn ouders zwegen omdat ze het nog niet hadden ­verwerkt. Ik had veel vragen: die ongelijkheid, die vooroordelen, hoe werkt dat en waarom bestaat dat überhaupt in een ­democratie? Daarom ben ik sociologie gaan studeren.”

Iets verkeerds

Een hoofddoek dragen is voor Azabar iets heel natuurlijks. Ze begon ermee toen ze een jaar of 10 was, vooral om het uit te proberen. “Iedereen in mijn familie droeg er een. Ik dacht: waarom niet? Gaandeweg ­begon ik hem ook op school te dragen. Toen ik naar het secundair ging, moest hij af, er was een verbod. Daar worstelde ik mee omdat ik me goed bij voelde bij die hoofddoek. Doordat op school werd ­gezegd: hier hoort het niet, kreeg ik het ­gevoel dat het iets verkeerds was. Maar waarom dan? Het wrong. Na 9/11 kreeg de hoofddoek dragen een andere lading. Voordien vond men het hooguit vreemd. Mensen hadden vragen of vonden het vrouw­onvriendelijk, maar de hoofddoek als ­symbool van terrorisme of om je af te ­zetten tegen de westerse wereld, dat was nieuw. Ik wist dat een hoofddoek dragen me moeilijkheden zou opleveren, dus toen was ik er plots bewuster mee bezig. Als tiener was ik op zoek naar rust, dat was nog meer zo toen mijn broer overleed. Mijn ­geloof bracht die rust. Mijn hoofddoek werd voor mij nog belangrijker.”

“Ik was rebels thuis. Ik vond dat er ook voor vrouwen geen beperkingen mochten zijn, ongeacht uit welke hoek. Mijn vader was heel beschermend, dat leidde soms tot discussies. De traditionele man-vrouw­verhouding functioneerde voor mijn ­ouders goed, maar ik vond dat ik ook ­andere opties kon hebben. Toen ik ging studeren, zeiden mijn ouders en broers en zussen: als je die hoofddoek blijft dragen, ga je het moeilijker hebben. Ik dacht: ik zie wel wat er komt. Ik was het gewend me ­extra hard te bewijzen, maar ik had niet ­gedacht dat het zo erg zou zijn. Het idee dat we in een democratie leefden waar ­iedereen gelijke kansen had, was geen ­werkelijkheid. Mijn activisme begon bij de ­studentenvereniging, omdat ik vond dat je niet in zo’n wereld kunt leven. Het kan niet dat je gender, je kleur, je religie of je sociale klasse bepaalt of je een goed leven zal ­hebben of niet. Dat is niet democratisch. Ik dacht: als mensen dat inzien, komt er wel verandering. Toen was ik nog naïef, ik ben realistischer nu en besef dat sommige mensen voordelen halen uit het onderdrukken van anderen. Er kan veel veranderen, maar mensen moeten het willen.”

Boze vrouw

In 2008 stapte Azabar mee in BOEH!. De aanleiding voor haar om aan te sluiten was de dresscode die werd ingevoerd: levens­beschouwelijke en politieke kentekens mochten niet meer voor loketbedienden omdat de overheid neutraal hoorde te zijn. “Die neutraliteit was een drogreden: vanaf nu is onze overheid ­neutraal. Wat was ze dan ervoor? Was het problematisch? Waar zat het probleem dan? Er was geen probleem. Er waren ­vrouwen met hoofddoek die al vijftien jaar aan het loket werkten en altijd positieve evaluaties hadden gehad. Neutraliteit is een goed idee, ze is in­gevoerd om te garanderen dat iedereen ­gelijk wordt behandeld ongeacht gender, afkomst, religie, dat je die aspecten wel ziet, maar er geen waardeoordeel aan vast hangt. Nu werd neutraliteit ingezet als discriminerende maatregel.”

“Het blijkt een ­collectieve strategie te zijn van moslimvrouwen, om zeker niet het boze type te ­lijken. Want dat is een strategie om ons weg te zetten, zodat er niet naar ons hoeft te worden geluisterd”

“Tegenstanders voeren vaak aan dat vrouwen een hoofddoek dragen onder druk. ‘We hebben daarover 500 vrouwen bevraagd voor een nieuw boek. Daarvan ­gaven er drie aan druk te ervaren. Dat zijn er drie te veel, maar een hoofddoeken­verbod is paternalistisch en buitenproportioneel. Tegenstanders gaan uit van het idee: wij zijn bevrijd en jullie nog niet, het kan toch niet dat je vrijwillig voor een hoofddoek kiest? Vrijheid wordt vaak ­gemeten aan hoeveel je als vrouw laat zien van jezelf. Maar het mag ook weer niet té veel zijn. Als je kijkt naar al die normen die worden opgelegd aan vrouwen in onze ­samenleving: hoe ze zich horen te gedragen, hoe ze gekleed moeten gaan, dan zijn wij geen feministische maatschappij.”

“Het gaat fundamenteel om zelfbeschikkingsrecht. Ik ben een volwassen vrouw en ik kan voor mezelf uitmaken wat ik belangrijk acht in mijn leven. Ik heb veel meer druk ervaren van het seksisme en racisme in de buitenwereld dan van mijn familie om een hoofddoek te dragen.”

Een lastig stereotype is de boze vrouw, zegt Azabar. “Ik probeer heel hard altijd te glimlachen, op straat en tijdens vergaderingen. Onlangs las ik daar een wetenschappelijk artikel over: dat blijkt een ­collectieve strategie te zijn van moslimvrouwen, om zeker niet van het boze type te ­lijken. Want het is een strategie om ons weg te zetten, zodat er niet naar ons hoeft te worden geluisterd. Maar waarom mag ik niet boos zijn als ik naar een terrasje ga en men mij vraagt weg te gaan omdat ik met mijn hoofddoek andere klanten zou ­afstoten? Of als jongens van kleur bang moeten zijn voor sommige politiemensen? Het is juist die verontwaardiging die me de energie geeft om door te gaan.”

OUT OF THE BOX

“Gewoon luisteren naar mijn rants doet al veel”
■ Hoe kunnen we oudere mensen meer waarderen?

“Hoe ouder je wordt, hoe meer je als last wordt beschouwd in onze samenleving. We vinden ouderen niet prioritair, ze zouden druk ­zetten op ons zorgsysteem. Ik vond het verschrikkelijk wat er ­tijdens de coronacrisis gebeurde in de woonzorgcentra. In onze ­familie worden ouderen heel erg geapprecieerd en beschouwd als wijze mensen. Ik vind dat we ze meer moeten waarderen en als volwaardige burgers moeten zien. Dat gebeurt te weinig, en dat komt doordat we door een neo­liberale bril kijken, denk ik: op een bepaald moment zijn ze niet meer productief en horen ze er niet meer bij. Misschien moeten we ons idee van hoe we onze loopbaan invullen radicaal herdenken. Nu putten we mensen uit tot ze niet meer 100 procent mee­kunnen en dan zeggen we: ga nu maar je dromen vervullen. Maar misschien zijn ze dan niet meer op hun best en kunnen ze niet meer ten volle genieten van die laatste jaren. Ik weet dat er ideeën leven om een ouderenrechten­commissariaat op te richten dat de stem van ouderen meer kan ­laten klinken in bepaalde dossiers. Het minste wat we kunnen doen, is meer aandacht hebben voor hun kijk op de zaken. Want nu worden ze zowat opzijgeschoven.”

 Wie was toen je opgroeide je ­favoriet in de familie?

“Ik heb veel gehad aan mijn oudste zus Fikriye, ze kon goed luisteren en voelde aan wanneer ik me niet zo goed voelde. Ze had een houding van: ik heb al heel wat meegemaakt en ik kan erover ­waken dat jij dat niet hoeft door te maken – in de mate van het mogelijke, want ze was ook heel erg zoekende. Ze bleef me altijd aanmoedigen, ook als ik het niet meer zag zitten. Ze is nog steeds een compagnon de route. Ze is nu 41, en we bellen dagelijks met ­elkaar. Ze staat altijd klaar met raad en daad en weet altijd wat ze moet zeggen om me gerust te stellen, zelfs als ze geen oplossingen heeft. Gewoon luisteren naar mijn rants doet enorm veel.”

 Sta je er open of weigerachtig ­tegenover om mensen uit verschillende delen van je leven samen te brengen?

“Thuis en werk zijn voor mij heel verschillende werelden. Toen ik in het middenveld werkte, was dat wat anders. Toen kwamen sommige familieleden soms naar debatten, of bracht ik ze samen met mensen uit mijn werksfeer. Nu ik elders werk, durf ik dat minder omdat ik weet dat de ­leefwereld van mijn collega’s heel anders is dan die van mensen in mijn naaste omgeving. Dus er is weinig mix tussen verschillende aspecten van mijn leven. Het is confronterend om dat zo uit te spreken, want het is iets wat ik soms onbewust doe, zonder erbij stil te staan.” (vdbv)

Onze gast kiest telkens enkele van de ‘100 Questions’, een doos met verrassende vragen van The School of Life, een project van onder anderen filosoof Alain de Botton.